Appelroute

In de driehoek tussen Putten, Nijkerk en Barneveld liggen vier landgoederen: Appel, Blarinckhorst, Gerven en Heil. De Appelroute doorkruist voor een groot deel dit bijzonder waardevolle landgoederenlandschap in de Gelderse Vallei. Het is een mooi afwisselend landschap dat bestaat uit licht glooiende akkers en weilanden omzoomd door houtwallen. De landgoederen kenmerken zich door een sterke ver­weving van landbouw en natuur. Er zijn zeventien pachtboerderijen aanwezig. Drie landgoederen waren tot 1991 in bezit van één eigenaar: Jonkheer mr. FJ.C. Schimmelpenninck, ter plaatse bekend als 1onker Frits’. Zijn behoudende visie ‘wat mooi en goed is. behoeft geen verandering’ heeft ertoe geleid dat de land­goederen nog in oorspronkelijke stoot verkeren. De pachtboerderijen en de overi­ge woningen zijn monumentale cultuurgoederen. Bij een aantal boerderijen zijn nog schaapskooien, hooibergen en bakhuizen aanwezig. De landgoederen kennen voornamelijk zandwegen, alleen de verbindingswegen tussen de gemeenten zijn verhard.

  • Startpunt: Voorthuizen (A)
  • Overige startmogelijkheden: Terschuur (B) of Driedorp (C)

Het begin- en eindpunt van de Appelroute is Voorthuizen (1). Van oudsher al een belangrijk knooppunt in het wegennet. Het eerste deel van de naam Voorthuizen verwijst naar een voorde. Dat is een doorwaadbare plaats in een beek of rivier. Ooit een belangrijk motief om hier een nederzetting bij te stichten. Vermoedelijk ging het om de ten oosten van Voorthuizen gele­gen Ganzenbeek.

De provinciale weg die nu dwars door het dorp gaat was vroeger een belangrijke handelsweg, de Hessenweg die van Amsterdam via Amersfoort naar Deventer liep en zo weer verder het Duitse achterland in. De invloed van deze Hessenweg is van groot belang geweest voor de groei van het dorp. In het verleden waren hier dan ook verschillende herbergen aanwe­zig, zoals ‘De Roskam’, ‘Het Hamburger Posthuis’ en ‘De Moriaan’. In 1809 werd de weg van Amersfoort naar Deventer bestraat. Nu snijdt deze druk­ke weg het dorp in tweeën. Vroeger leefde de bevolking grotendeels van de schapenhouderij, nu is recreatie en toerisme een belangrijke inkom­stenbron. Het huidige gehucht Terschuur (3) bestaat officieel pas sinds 1930. In de Middeleeuwen was echter ook al sprake van het goed ‘Ter Schure’ en er wordt zelfs druk gespeculeerd dat in de l 8e eeuw tussen Terschuur en Zwartebroek richting Hoevelaken een kasteel met die naam gestaan heeft. Luchtfoto’s en oude kaarten brengen sporen van de parkaanleg aan het licht. Evenals Voorthuizen dankt Terschuur zijn opkomst aan de oude Hessenweg an Amsterdam over Amersfoort naar Deventer. Boerderij ‘De Tolboom’ herinnert nog aan de tijd dat er voor het gebruik van de weg tol betaald moest worden.

U fietst over de Blankenhoefse weg (4) tussen Terschuur en Zwartebroek precies op de grens van twee verschillende soorten landschap en dat is goed te zien . Aan uw rechterhand blokvormige ontginning van heidegrond, de percelen lopen van oost naar west. Aan uw linkerhand ontginning van veen­grond, met smalle perceeltjes in noord-zuidrichting. De boerenwoningen zijn hier ook minder fors. Het kaarsrechte wegenpatroon toont de oorspron­kelijke ontginningsmethode duidelijk aan en geeft het landschap rond Zwartebroek een bijzonder aanzien. Dit wordt verder alleen in het noorden van het land en in de Peel aangetroffen. Nairac, burgemeester van Barneveld, schreef in 1882 over problemen met de ontwatering. “Achter ’t huis Terschuijr ligt de buurtschap Zwartebroek, eene eigenaardige benaming voor deze veenstreek; 25 jaren geleden werd daar uitstekende turf gebag­gerd, wier hoedanigheid evenwel vermindert door dien het thans aangebro­ken veen te jong is. De landerijen geven uitmuntend gras; ’t is echter brood­noodig, dat handen aan het werk worden geslagen, om den waterstand te verbeteren. Zwartebroek ligt op 4 Meter + A.P., dat is 8 Meter lager dan ’t aangrenzende Voorthuizen. ( … ) de ondiepe en sedert eeuwen verzande beken kunnen het water niet meer slijten, dat van de bovenliggende ont­gonnen grond wordt aangevoerd – de buurt lijdt inderdaad waterschade.”

Windkorenmolen ‘De Hoop’ (5) is in 1888 gebouwd. De molen is in 1955 en 1972 gerestaureerd, maar ziet er op dit moment jammer genoeg weer enigszins verwaarloosd uit. Verder richting Driedorp ziet u aan uw linkerhand het landgoed Slichtenhorst. Het bestaat uit een afwisseling van loofbos, weidegronden en door brede houtwallen omsloten akkers. Verspreid over het landgoed liggen monumentale boerderijen met eeuwenoude namen als Ehrental, Schavenou en Schardepot. In een ver verleden waren deze boer­derijen kloosterhoeves (zie het kader over kloosters pagina 15). De fraaie bolle es is een gevolg van jarenlange bemesting met plaggen.

Driedorp is ontstaan aan het eind van de l 8e eeuw. De bewoners, toen­tertijd van beroep overwegend dagloners en landarbeiders, zijn geen eige­naren van het akkerland en zijn dat nooit geweest. Het kerkje bij de krui­sing (6) werd in 1867 gesticht door baronesse d’Hangest d’Yvoy. Deze adel­lijke dame had medelijden met de buurtbewoners die op zondag lange afstanden moesten afleggen om de kerk van Voorthuizen of Nijkerk te bereiken. De kerk was tot zijn overlijden in 1991 eigendom van jonkheer Schimmelpenninck uit Putten, die grote stukken grond met bijbehorende boerderijen in deze omgeving bezat. Even voorbij Driedorp komt u langs de Kruishaarderberg (7). Midden in een bosje ligt een curieus landschapsele­ment, een vierkante omwalling. Al in het jaar 1844 werd van de Kruis­haarderberg een plattegrond gemaakt. De omwalling is sinds die tijd nauwe­lijks veranderd. Vroeger, in een meer open landschap, zal de omwalling er vanuit de verte meer als een berg hebben uitgezien. Dat zo’n merkwaardi­ge bult in een overigens zo plat landschap de fantasie prikkelt, zal geen verwondering wekken. Allerlei theorieën deden de ronde over de functie van de Kruishaarderberg: Germaanse offerplaats, vergaderplaats van de maalschap, omheinde akker, legerplaats of veldschans. Frank van Dooren heen in zijn boek ‘Landschappen van Nijkerk-Arkemheen’ een nieuwe inter­pretatie daaraan toegevoegd. Volgens hem is de berg een versterkt leger­kamp geweest in de late Middeleeuwen.

Over de Beulekampersteeg (8) fietst u langs de Kruishaarse Heide, die deels ontgonnen is voor de landbouw, maar voor een ander deel nog intact geble­ven. Hier grazen nu weer schapen om de vergrassing tegen te gaan. De Appelse en Kruishaarse Heide behoren tot de meest waardevolle natuurge­bieden in de Gelderse Vallei. Tot de uitvinding van de kunstmest waren de heidevelden integraal onderdeel van het landbouwsysteem.

Dat dit vroeger een omvangrijk veengebied is geweest, is goed af te lezen aan de vele namen met het woord ‘veen’, zoals Kienveen, Wulpeveen, ’t Grijze Veen en Polleveenseweg. Veenhuizerveld (9) behoort met Krachtig­huizen tot de buurten die na de verkoop van de domeingronden aan de gemeenten in 1843 zijn ontstaan. De gemeente Putten had in dat jaar 1325 ha. woeste domeingrond van de Gelderse landheer gekocht. De eerste per­celen die de gemeente doorverkocht, lagen in het Veenhuizerveld. Op de verkochte percelen werden behuizingen voor landarbeiders gebouwd. Naburige namen die aan de aanwezigheid van turf herinneren, zijn Turfweg en ’t Veenwater. De turf uit het Veenhuizerveld werd via de Turfweg, de tegenwoordige Huinerenkweg, richting Putten getransporteerd. ‘tVeenwater lag ten zuidoosten van het Veenhuizerveld.

Aan uw rechterhand fietst u langs een aaneenschakeling van recreatiepar­ken. Hier liggen ook de Zeven Bergjes (10), waar in de 19e eeuw een belang­rijke vondst werd gedaan. Nairac, wandelende burgervader van Barneveld rapporteert in 1882. “Het belangrijkste onderzoek derVoorthuizer-dooden­velden was in 1870. dat der zoogenaamde “Zevenbergjes”. Het zijn zeven, bijna aaneengeschakelde heuvels, strekkende van het oosten naar het wes­ten, 1 à 3 m hoog en 3 tot 7 m middellijn. Zij leverden aschlagen met brok­jes houtskool en menigvuldige verbrande menschen-beenderen. In een der grafheuvels vonden wij een paardetand en een zeer goed behakten en gesle­pen silex-beitel: de overledene was dus met zijn paard en gereedschap ver­brand en begraven.”

U fietst over de Polleveenseweg langs het zuidelijke deel van het Wilbrink­bos. (11) Het landgoed Wilbrinkbos ligt ten oosten van Voorthuizen en is in handen van het Geldersch Landschap. Het natuurgebied bestaat niet alleen uit bos (in het noordelijke deel), maar ook uit houtwallen en -singels, het ‘Grijze Veen’ (een meer) en uit heideveldjes en graslanden. Het ‘GriezeVeen’, zoals ze het hier uitspreken, bestond ooit uit natte heide met een laagte waarin zich veen had gevormd. De boerderij tegenover de Harremaatweg behoort ook tot het landgoed, wat goed te zien is aan de luiken met het geel-rode logo van het Geldersch Landschap. Het landgoed kwam in 1962 in handen van het Geldersch Landschap door het overlijden van de vorige eigenaresse, mejuffrouw dr. G. Wilbrink. Overeenkomstig haar wens droeg het voortaan de naam Wilbrinkbos, ter herinnering aan haar vader, die van 1884 tot 1895 notaris te Lunteren was

Meer informatie

Appelroute-valleiroute

Kloosters

Drie belangrijke kloosters in Duitsland speelden in de loop der eeuwen een belangrijke rol in de geschiedenis van Nijkerk en Putten: het St Ludgerusklooster te Werden, het St Vitusklooster te Elten en het klooster Abdinckhof te Paderborn. Vanaf de 9e eeuw waren grote landenjen in bezit van de kloosters. Meer dan 90 % van de grote boerderiJen behoorde 101 het geestelijk groot­grondbezit De bewoners waren horigen, later pachters. Tot 1800 heeft deze toestand voortgeduurd. Een van de regels was dat de lander?en met werden verdeeld. De oudste zoon macht opvolgen op het onverdeelde goed. Dit heeft voor grote stabiliteit gezorgd en het landschap ongeschonden bewaard. In de loop van de jaren werden sommige landgoederen toch gesplitst De nieuwe boerderij bleef de naam van het oude goed houden. Zo ontstond bijvoorbeeld naast Groot Boeijen een Klein Boeijen.

Het Eltense klooster beheerde zijn goederen op de Noordwest-Veluwe vanuit een soort filiaal, de hof in Appel bij Nijkerk. Op de hof in Appel, later Kemna geheten, zetelde de rentmeester van de abdij Elten. Het omstreeks 1850 ge­sloopte huis Kemna stond niet ver van de huidige boerderij Oostereng (2)

Heidevelden en mest

De wereld op zijn kop: worden we nu geteisterd door een mestoverschot. tot aan het eind van de l 9e eeuw was er in grote delen van ons land een enorme schaarste aan mest Pas met de komst van de kunstmest maakte aan dat tekort een einde. Vroeger lagen hier uitgestrekte heidevelden. Van die heidevel­den zi1n nog maar kleine gedeeltes overgebleven. Op oude kaarten zijn de ‘woeste gronden’ nog goed te zien. In het agrarisch systeem van die t11d hingen akkers en heidevelden nauw samen. Voor één hectare akker was wel tien hec­tare heide nodig om voldoende mest te verzamelen; mest. die op de akkers werd gebracht Het was een mengsel van schapenmest. heidemaaisel en hei­deplaggen. Dat systeem werd pas doorbroken tegen het einde van de vorige eeuw. De toepassing van kunstmest leidde in de afgelopen honderd jaar tot een kentering in de verhouding tussen heide en cultuurgrond.